Van Dievel Consulting

De voorhuid van Christus

20 / 01 / 2012

‘Wilt ge allemaal stil zijn, dan kunnen we beginnen.’
N-VA-fractieleider Jan Jambon maakte met een autoritair gebaar een einde aan het geroezemoes in de zaal vol N-VA-verkozenen.
Wij bevonden ons in de afspanning ‘t Centrum te Heide/Kalmthout, waarvan de uitbaters raar opkeken toen wij – zijnde ikzelf en mijn sympathieke dobermann Brabançonne – daar gemoedelijk keuvelend met de Vlaams-nationale kopstukken naar binnen wandelden. De vergadering had tot doel het zogenoemde maatschappelijk ongenoegen op eerlijke wijze te verdelen over de verkozenen, zodat zij geen dag uit de media zouden blijven.
‘Ieder zijn fifteen minutes of fame, is het dat waar u naartoe wilt?’ had ik enkele dagen eerder geïnformeerd toen de N-VA mij kwam polsen om de mediastrategie van de partij te stroomlijnen.

‘Mijnheer Van Dievel hier, ‘ sprak Jan Jambon schalks, ‘die de reputatie heeft een rooie hond te zijn (boegeroep in de zaal) maar voor wie geld geen kleur heeft (hoongelach in de zaal), zal u één voor één een maatschappelijk ongenoegen toewijzen waarop ge u moet profileren, ‘t is te zeggen, waar ge in de media mee moet komen, en liefst van al nog op de televisie van VRT. Het is de uitdrukkelijke wens van de partijtop dat de N-VA geen dag uit de belangstelling van de pers blijft. Mijnheer Van Dievel hier zal daar met zijn lange arm op de nieuwsdienst en bij de redactie van De Standaard zorg voor dragen.’

De zaal bleef mij en de fractieleider vol onbegrip aanstaren. Wat had de kat nu binnen gebracht, zag ik de meest gematigden denken. De baarlijke duivel is onder ons, las ik in de ogen van de diehards.

‘Komaan, smeerlap, ge hebt het woord,’ vuurde Jan Jambon mij aan.
Een bevrijdend gelach vulde ‘t Centrum. Dat was tenminste gesproken in mensentaal.

‘We beginnen met het voetvolk,’ stak ik van wal.
‘Het recht op roken op caféterrassen is voor Jan Van Esbroeck, inwoner van deze schone gemeente.’
‘De vossenjacht is voor Mark Demesmaeker.’
‘Weg met de groene fundamentalisten!’ brulde het net genoemde parlementslid.
‘Ge zijt tegen de vossenjacht, kieken, niet voor,’ verbeterde voorzitter De Wever in persoon Mark Demesmaeker.
‘De strijd om meer openbare toiletten is voor Matthias Diependaele,’ vervolgde ik onverstoorbaar, ook al leek de begunstigde niet erg gelukkig met zijn toegewezen competentie. En zo ging ik onverdroten verder, wijl Brabançonne telkens een high five pleegde met de betrokkene en optrad als applausmeester.

Na een half uur kwam ik aan de kopstukken van de partij toe.
‘Het asielbeleid dat op niks trekt en de vetpotten van de vadsige koning zijn voor Theo Francken.’ (Gejoel)
‘Het zogenoemde Centrum voor Ongelijke Kansen is voor niemand minder dan Ben Weyts!’ (Gejuich)
‘En hij krijgt er de onbekwaamheid van Di Pipo om de tweetaligheid van de topambtenaren te verzekeren bij!’
Ben Weyts danste juichend als een bokser in de ring.
‘Jan Peumans moet het in bloed, zweet en tranen verdiende inkomen van de Vlaamse parlementsleden verdedigen!’
Slechts de helft van de zaal applaudisseerde nu, de federale verkozenen keken maar sip.
Ik begon zelf plezier te krijgen in het opjutten van het kruim van de Vlaamse natie. Ik verzon ter plekke wat maatschappelijk ongenoegen zoals een verbod op het thuis roken op de WC en een verhoging van de BTW op leeuwenvlaggen, liederenbundels en volksdansen. Het ging er allemaal in als zoete koek.

‘Onze minister Muyters,’ riep ik met overslaande stem, ‘zal zich inzetten voor meer fatsoen in de politieke zeden en gewoonten! Philippe voor een propere en eerlijke politiek! ‘

In de zaal klonk enkel gekuch. De kopstukken bestudeerden aandachtig de nagels van hun vingers. De behoeder der Vlaamse centen maakte zich zo klein als mogelijk.

‘Ander onderwerp, lullo‘ siste Jan Jambon in mijn oor.

‘En dan zijn we nu bij onze geliefde voorzitter!’ schalde ik in de micro.
De zaal begon te stampvoeten op de plavuizen zodat het hele gebouw daverde.
‘Onze voorzitter zal strijden voor de terugkeer van de Voorhuid van Christus naar de Antwerpse kathedraal!

Er viel een ijzige stilte.

‘Zeg eens, triestigaard,’ verbrak Bart De Wever het stilzwijgen aan de tafel der kopstukken, ‘ dat was maar om te lachen hoor, dat van die Voorhuid.’
‘Onze voorzitter heeft veel gevoel voor humor, in tegenstelling tot onze politieke vijanden!’ viel ik op mijn pootjes. Maar de schwung was er een beetje uit.
Bart De Wever aanvaardde slechts met tegenzin de strijd tegen de nieuwe financieringswet die Vlaanderen over een kleine dertig jaar in bittere armoede zal gestort hebben.

Enfin, de vergadering die zo goed begonnen was, eindigde enigszins in mineur. Vooral omdat ik Geert Bourgeois en Siegfried Bracke bleek te zijn vergeten bij het uitdelen mijner gaven.

‘Siegfried,’ troostte ik mijn vriend en voormalige hiërarchische overste, ‘ de partij rekent op u om Gent te heroveren op de Bulgaren en de Roma.
Geert Bourgeois was minder makkelijk af te schepen. Dat bleek toen ik hem, als wederdienst voor mijn inspanningen voor de N-VA, poogde te winnen voor de verhuis van het VRT-omroepcentrum van Schaarbeek naar Kalmthout, op de plaats waar nu nog het voetbalveld van SV Heibos gelegen is, zijnde op spuugafstand van mijn modeste villa.
Als de VRT verhuist, Van Dievel, ‘ sprak Bourgeois misnoegd en uit de hoogte, ‘zal het naar de weide van het IJzermonument in Diksmuide zijn. We zoeken toch een nieuwe bestemming voor deze site en de IJzerweide heeft als geweldig voordeel dat de VRT geen nieuwe zendtoren zal moeten bouwen.’

De kennis der beide landstalen

14 / 01 / 2012

‘Patron,’ had Brabançonne ’s morgens nog gevraagd, ‘hebt ge nog tips? Maar dan rap, want de trein vertrekt over tien minuten.’
Ik had mijn geliefde dobermann nog eens aandachtig bekeken. Hij zag er pico bello uit in zijn kostuum van Ermenegildo Dinges. Hij droeg geen rode das, geen groene onderbroek en zijn vacht was van een modieuze lengte.
‘Verzwijg voor alle zekerheid uw lidmaatschap van de tempel der vrijzinnigheid,’ raadde ik hem aan, ‘als Antwerpse magistraten al geen Indische tempel meer mogen bezoeken, is het gevoel voor nuance zoek, vrees ik.’
Ik kneep hem nog een keertje bemoedigend in de wang.
‘Gij gaat dat goed doen, vriend, ‘ verzekerde ik hem.

Brabançonne zette er ferm de pas in, richting station Heide. Ik pinkte een traan weg. “Mijn” Brabançonne in de running voor de post van directeur-generaal bij het ministerie van Voortschrijdend Inzicht, wie had dat ooit durven denken. Ik dacht al aan de talloze voordelen die zijn ambt zou kunnen hebben voor het orderboekje van Van Dievel Consulting. Want onder ons gezegd en gezwegen, ik heb er spijt van dat de regering Di Rupo I eindelijk gevormd is; wij hebben schatten verdiend met onze waardevolle adviezen aan alle betrokken partijen. Maar sinds Sinterklaas bougeert er niet veel meer op de markt van de gebakken lucht. De kabinetten en de schaduwkabinetten hebben het gespin en gekonkelfoes helemaal naar zich toe getrokken. En op de prutsen die overblijven moet ik vijf procent korting geven. Die mantra “vijf procent inleveren” begint dik mijn voeten uit te hangen, als u het wil weten. Ik moet al betalen om een bankrekening bij Dexia te mogen hebben, ik wil niet nog een keer betalen voor het gat dat de flaters van de Dexia-top in de begroting hebben geslagen.

Rik en Siegfried

De uren passeerden. Ik hield mij onledig met het Facebookprofiel van Rik Torfs, dat de senator en hoogleraar Orakelrecht aan VDC heeft toevertrouwd. Ik postte enkele foto’s waarop mijn opdrachtgever er op zijn voordeligst uitziet, aanvaardde het vriendschapsverzoek van enkele fraai ogende dames en ontkende in alle toonaarden het hardnekkige gerucht dat ik (enfin, Rik Torfs dus) de nationale politiek ontgoocheld vaarwel zou zeggen. Nu is het wel zo dat mijn vriend Rik er wat voor spek en bonen bijloopt sinds de regering is gevormd en iedereen bij zijn partij in de pas moet lopen. Van het enerzijds-anderzijds-sprookje dat hij met Inge Vervotte had uitgedacht schiet niet veel meer over. Niets, zei zijn bloedeigen voorzitter onlangs in de krant. En dus blijft Rik met zijn immer opborrelende vernieuwingsideeën zitten.

In wezen zit Rik Torfs in hetzelfde schuitje als zijn kompaan Siegfried Bracke, die niet gemaakt is om zich in de oppositie vast te bijten in allerlei dossiers om aldus de regering in verlegenheid te brengen. Maar Siegfried koestert tenminste nog de illusie dat hij in oktober groenlinks zal kunnen verslaan in Gent, terwijl in Heist-op-den-Berg niemand weet dat Rik Torfs eigenlijk een ingezetene is van deze gemeente.

Al deze gedachten welden in mij op terwijl ik het voltallige partijbestuur van CD&V aan het defrienden was. Ik betrapte mijzelf erop dat ik steeds vaker naar de klok keek. Het werd vier uur, vijf uur in de namiddag, het werd donker. Waar bleef Brabançonne toch?
Net toen ik het nummer van Childfocus aan het opzoeken was, ging de telefoon. Het was de uitbater van café ‘t Centrum, gelegen in de schaduw van de Sint-Jozefkerk van Heide, en in betere tijden het stamcafé van het Kalmthoutse kartel van CD&V en N-VA.

‘Lowie,’ sprak de uitbater mij toe, ‘uwen hond hangt hier zat aan de toog. Wilt ge hem komen halen want hij valt de andere klanten lastig. In het Frans nog wel.’
‘Oei. Ik kom eraan.’

De kennis der beide landstalen

De uitbater van café ‘t Centrum had niet gelogen. Brabançonne hing lallend aan de toog. Er hing een ronduit vijandige sfeer in de drankgelegenheid.
‘Vriend, wat scheelt er toch?’ zeide ik terwijl ik mijn geliefde dobermann in evenwicht hield.
‘Ik ben gebuisd voor Frans!’ wist Brabançonne nog uit te brengen, alvorens in een klagelijk gejank uit te barsten dat de laatste cafébezoekers het etablissement uit joeg.
‘Gebuisd voor Frans, gij?!’
‘Boehoehoehoe!’
Minutenlang kon Brabançonne geen woord uitbrengen. Op mijn troostende schouder had zich een grote snotvlek gevormd.
‘Een poseur hebben ze mij genoemd, patron, een aansteller. Ik spreek zo goed Frans, zegden ze, dat ik de andere kandidaten belachelijk maakte.’

Waarna hij zijn hondenkop van mijn schouder losmaakte en op gedreven wijze en met tranen van ontroering in de ogen het wondermooie gedicht van Pierre Ronsard ( 1524-1585) voordroeg:

Mignonne, allons voir si la rose
Qui ce matin avoit desclose
Sa robe de pourpre au Soleil,
A point perdu ceste vesprée
Les plis de sa robe pourprée,
Et son teint au vostre pareil.

‘Waren de andere kandidaten misschien Walen die het niet konden verkroppen dat een Vlaming de taal van Molière (cliché!!!!) beter spreekt dan zijzelf?’ opperde ik.
Alreeds voelde ik hoe mijn alvleesklier een opstoot van kaakslagflamingantisme afscheidde.
‘Nee, patron,’ sprak Brabançonne mij tegen, ‘dat is het ‘m juist! De andere kandidaten waren stuk voor stuk Vlamingen die enkel steenkolenfrans spraken en die vonden dat hun gebrabbel de norm moest zijn.’

‘Ik heb liever dat ge hier niet meer komt,’ zei de baas van ‘t Centrum nog ten afscheid, maar daar sloeg ik geen acht op. Ik had het veel te druk met het ondersteunen van Brabançonne, die zo dronken was dat hij niet meer op zijn poten kon staan en die onophoudelijk uit Franse klassieken citeerde, alsook uit ‘Tais-toi en sois Belge‘, de politico-satirische pruikenrevue van aan de overkant van de taalgrens.

Het CGKR

Ter hoogte van de Guido Gezellelaan ging mijn gsm. Ik legde Brabançonne in het gras en stelde mijzelf voor.
‘Met Van Dievel Consulting.’
Mijn oproeper stelde zich voor als de kabinetschef van XXXXXXXXXXXX.
‘Zeg Van Dievel,’ sprak hij/zij, ‘wij zoeken een nieuwe directeur voor het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding. Zijt ge niet geïnteresseerd? Volgens ons hebt ge het perfecte profiel. De verloning is goed, al gaat er vijf procent af voor Dexia.’

‘Waarde heer/mevrouw, ‘ antwoordde ik na enig koortsachtig nadenken, ‘ ikzelf moet helaas bedanken voor de eer, maar ik denk dat ik de geknipte kandidaat heb voor u.’
‘We zijn benieuwd,’ zei mijn gesprekspartner.
‘Moet de kandidaat een zekere politieke kleur hebben? ‘ informeerde ik nog, terwijl ik een blik op de snurkende Brabançonne wierp.
‘De kleur heeft geen belang, alleen de bekwaamheid telt,’ verzekerde mij de persoon aan de andere kant van de lijn.
‘Dat valt mee, ‘ grapte ik, ‘want mijn kandidaat is een zwarte.’

Eliooo, Eliooo, in Antwerpen….

07 / 01 / 2012

‘Mon cher Louis,’ sprak premier Di Rupo met een wat trieste glimlach op het gelaat, ‘vertel mij eerlijk wat het resultaat is van mijn charme-operatie in Vlaanderen.’
Wij zaten knus bij het haardvuur in de bibliotheek van mijn modeste villa in Kalmthout. Buiten gierde de storm en waaiden kraaien en eekhoorns uit de bomen. Brabançonne keek strak naar zijn gemanicuurde nagels. Ikzelf zocht naar een geschikte openingszin.

‘Het staat buiten kijf dat u geweldig uw best doet, geachte premier,…’ begon ik. Ik doelde op zijn verschijning in het Glazen Huis van MFL, zijn nieuwjaarsboodschap, en zelfs zijn interview in het elitaire blad Dag Allemaal.
‘Wat zijn de resultaten?’ onderbrak Di Rupo mij vrijwel meteen, ‘heb ik de harten van de Vlamingen veroverd?’
‘Neen’, gaf ik na een lange stilte met een klein stemmetje toe, ‘bijlange niet.’

Wat moest ik anders zeggen?

Maar kon ik hem met de harde waarheid confronteren? Dat de Vlamingen enkel een premier aanvaarden die verkavelingsvlaams en slecht Frans spreekt en dat ze het normaal vinden dat de Franstaligen dat al veertig jaar normaal vinden. Dat de Vlamingen Italiaanse immigrantenkinderen enkel tof vinden als het Vlaams-Italiaanse immigrantenkinderen zijn die mooi kunnen zingen als Rocco Granata of hen doen lachen zoals wijlen Felice Damiano? Dat de Vlamingen in theorie wel tolerant zijn maar in de praktijk grove grappen en veel erger maken over de homoseksuele politicus? Dat de Vlamingen Vlaamse tafelspringers met slechte manieren verkiezen boven een bedachtzame en charmante Franstalige premier? Dat het ver gekomen is als een niet gering percentage van de Vlamingen Elio Di Rupo als de vijand, de baarlijke duivel beschouwen die nooit, jamais, niemals, never iets goeds kan bewerkstelligen, hoe hard hij ook zijn best doet? Dat ze die zelfs geen kans willen geven?

Nee, dat kon ik allemaal niet zeggen. Het zou Di Rupo maar ontmoedigen en een ook wel grote groep Vlamingen onrecht aandoen.

Maar wat kon ik hem verder aanraden? Een Vlaams zwembad feestelijk inhuldigen met alleen maar een zwembroek met leeuwtje aan? Vijftien kilo aankomen en pinten pakken om er wat meer als een modale Vlaamse politicus uit te zien? Slecht zittende en saaie kleren dragen? Scheef in plaats van stralend lachen? Taallessen volgen bij Philippe Geubels én Gunther lamoot? Lachen met grappen over homo’s, blondjes en negers? Een valse baard aanplakken en de idioot uithangen in een talkshow, een quiz of een pretprogramma op de televisie?

Neen, dat zou allemaal nep zijn.

Maar wat dan wel?

Ik zou de premier kunnen aanraden zich wat minder – wat zeg ik, veel minder – op het koningshuis te verlaten. De Vlaming heeft de truc met de koning door. En al geeft hij nog krediet aan de oude koning, om de nakomelingen moet hij ten hoogste eens goed lachen. Ik zou Di Rupo warm kunnen aanbevelen om de dotatie van het koningshuis daadwerkelijk te bevriezen en luidop na te denken over de rol van de vorst in het politieke bestel. Ik zou de premier kunnen aanraden om de grootste Vlaamse oppositiepartij niet als een last of een bron van ergernis te beschouwen maar als middel om de eigen regering scherp, gefocust te houden. Ik zou Di Rupo kunnen adviseren om helder en duidelijk te zijn in zijn communicatie. Vlamingen houden er niet van als er doekjes om worden gewonden. Ik zou hem adviseren om echt tijd, veel tijd te maken voor zijn lessen Nederlands; het gebrek aan een talenknobbel mag geen excuus zijn.

Ik was zo in gedachten verzonken dat ik niet eens had gemerkt dat Di Rupo en Brabançonne de warme en knusse bibliotheek hadden verlaten en buiten in de stormwind aan het ravotten waren. U kent dat: leunen tegen de wind in en duiksprongen maken op het natte, glibberige gras, tikkertje van den hoge spelen, in plassen springen. Monkelend sloeg ik hen gade. Parbleu, dacht ik, zou ik nog zo kwiek zijn over een goed jaar?

‘Patron!’ toeterde Brabançonne enthousiast toen hij, rood van de kou en de regen en met een verwarde pels, arm in arm met Di Rupo en een slijkspoor achterlatend de bibliotheek opnieuw binnenkwam, ‘wij hebben een geweldig gedacht om onze vriend hier een bad in de Vlaamse taal en cultuur te geven. We laten den Elio tijdelijk, telkens voor een paar weken, adopteren door een doorsnee Vlaams huisgezin. Tegen betaling, natuurlijk!’

Verdorie! Dat was een schitterend idee van mijn geliefde dobermann. Zo zou de premier echt kunnen worden ondergedompeld in Vlaamse waarden als spaarzaamheid, werklust, discipline, ouderliefde, godsvrucht, het leegeten van zijn bord aan tafel, het volksdansen en het sorteren van afval, maar ook het mopperen, het nooit content zijn, het grof in de mond zijn en het bang zijn voor al wat onbekend en vreemd is.

‘Ik organiseer dat subiet!’ beloofde ik Elio di Rupo bij het afscheid. ‘Tegen Pasen bent u helemaal ingeburgerd!’

‘Bart,’ sprak ik een weinig later door de telefoon tot de voorzitter van de N-VA, ‘ gij hebt toch een groot huis hé? Wel, ik heb een interessant voorstel…’

Liefste peter*

30 / 12 / 2011

‘Patron, help! Ik word lastig gevallen!’

Deze ongewone hulpkreet – Brabançonne is een volwassen en goed van oren en poten voorziene dobermann – kwam van achter de deur van de bibliotheek, waar traditiegetrouw een knapperend haardvuur brandde en alwaar mijn geliefkoosde dobermann geacht werd zijn nieuwjaarsbrief te schrijven aan zijn peter: strafpleiter en houwdegen Vic Van Aelst. Ik zwierde de deur open en stond paf. Brabançonne zat met de pen in de hand aan de tafel, gekneld tussen Luc Cortebeeck en Rudy De Leeuw, opperbrakken van de 2 grote vakbonden, die hem het schrijven van zijn nieuwjaarsbrief danig bemoeilijkten doordat zij allebei mede de pen vast wilden houden.

‘Heren, heren!’ sprak ik hen met de handen in de zij vermanend toe, ‘wat zijn dat voor manieren? Kan een dobermann zijn eigen nieuwjaarsbrief al niet meer schrijven zonder vakbondsbemoeienis?’

‘Excuseer Lowie’ sprak Cortebeeck enigszins verlegen, ‘maar wij zijn dat zo gewend. Wij houden de pen altijd mee vast op belangrijke momenten. Bij Yves, bij Jean-Luc, bij Elio, bij Bart. En voor mij was het de laatste kans om mee te schrijven aan een belangrijk document want het is mijn laatste werkdag bij de christelijke bond.’

‘Het is niet dat wij de inhoud van de nieuwjaarsbrief willen bepalen,’ expliqueerde Rudy De Leeuw zich al veel minder gegeneerd dan zijn zijn roomse kompaan, ‘maar wij willen wel de teneur kennen en desnoods de koers lichtjes bijsturen, verstaat ge?’

Tot mijn schrik zag ik op dat ogenblik, door het raam, aan de poort van mijn modeste villa, de afvaardiging van de Antwerpse universiteit haar opwachting maken, die telefonisch had aangekondigd zich ter plekke te willen buigen over het ideologische evenwicht in mijn geschriften. Het zou een weinig goede indruk maken als deze geleerde lieden de vertegenwoordigers van het lompenproletariaat in mijn woonst aan zouden treffen.

Haastig duwde ik hen in de richting van de keuken, alwaar mijn huishoudelijke manager Dinska Bronska een everzwijn aan het bereiden was, dat wij bij toeval hadden aangetroffen op het Kalmthoutse jachtdomein van de familie Van Thillo, mediatycoons van vader op zoon. Het sprak enkel Frans en het was de weg kwijt.

Wat later zaten twee hoogleraren, vier assistenten, een amanuensis, drie doctorandussen en een vertegenwoordiger van het AAP/BAP-personeel gebogen over mijn geschriften van het jaar 2011.
‘De naam Bracke komt in 31 van uw geschriften voor,’ merkte de leerstoelhouder op, ‘ dat is wel veel.’

‘Meer dan de naam De Wever, die in 27 van uw publicaties figureert,’ voegde de geassocieerde hoogleraar eraan toe.
‘En enkel en alleen in positieve zin,’ voegde ik er trots aan toe.
‘Bovendien,’ vervolgde ik – want ik had mijn huiswerk gemaakt -, ‘prijkt de naam N-VA in niet minder dan 37 van mijn geschriften van het jaar 2011.’
Eigenlijk lag het cijfer op 52, maar dat komt door mijn ouderdomsdyslexie waardoor ik ‘van’ heel dikwijls als ‘vna’ en nog vaker als ‘nva’ spel.

‘Laten we de eens tellen hoe vaak de naam van senator Torfs voorkomt,’ sprak de amanuensis met een vals lachje.
Ik kende het antwoord al: in slechts 15 van mijn geschriften wordt zijn naam vernoemd. Mijn vriend Rik zal de resultaten van het universitaire onderzoek niet graag lezen. Vijftien, dat is veel minder dan Beke (29), maar gelukkig meer dan Gennez (8), Vande Lanotte (7), De Croo Sr. en Jr. (11) en Koning Albert (4).

‘Dat ziet er allemaal goed uit,’ concludeerde de leerstoelhouder, ‘wij concluderen uit uw geschriften ook een constante positieve benadering van ’s lands politiek en politici. Wij zullen in onze besluiten voorstellen om Rik Van Cauwelaert van Knack en Hugo Camps van De Persgroep bij u op stage te sturen, om ze wat deontologie en vooral gematigdheid bij te brengen.’
De geassocieerde hoogleraar, de assistenten, de amanuensis, de doctorandussen en de vertegenwoordiger van het AAP/BAP-personeel knikten instemmend.
‘Dat is een hele eer,’ begon ik…

Maar dat moment meende Rudy De Leeuw achter de keukendeur De Internationale te moeten inzetten.
‘Wat hoor ik, Van Dievel?’, kreet de leerstoelhouder. ‘Wie zingt daar dat ideologisch gekleurde lied? Zullen wij onze studie en dus onze mening over de onafhankelijkheid van uw geschriften moeten herzien?!’

‘Ach heren,’ vergoelijkte ik, ‘ wat u hoort is slechts de postbode die een nieuwjaarsborrel te veel op heeft. Wij leven hier nog op het platteland, weet u.’

En dus kon er een zuinig zij het wat besmuikt lachje af bij de geleerde heren, toen Luc Cortebeeck op zijn beurt een scabreuze versie van ‘Te Lourdes op de bergen’ aanhief.
Dinska Bronska was niet zuinig met de foezel geweest, zo te horen.

‘Dat is de man van de vuilkar,’ legde ik uit, ‘die bij de meid om zijn drinkgeld komt.’

*Liefste peter, mijn broek is versleten, als gij geen nieuwe wilt kopen, moet ik in mijn slippen lopen (versje dat op Nieuwjaar werd/wordt voorgedragen, in de buurt van Mechelen althans).