‘Lowie,’ belde Johan Vande Lanotte mij op mijn gsm , ‘is het waar dat gij de vertrouweling van de koning zijt?’
‘Heer Vande Lanotte,’ wedersprak ik hem, hoe komt u erbij?’
De vorst en ik hadden in de zon op het bordes van het koninklijk paleis met de bikkels zitten spelen. Met een zakdoek over onze kruin geknoopt tegen de felle zon en met de broekspijpen opgestroopt. En met vuile handen, uiteraard.
‘Ik zou graag informateur worden, ’sprak de herverkozen senator zonder omwegen, ‘wilt gij geen goed woordje voor mij doen? Ik heb Willy Claes al in de vuurlijn gestuurd, maar ik heb niet de indruk dat er nog iemand naar de Willy luistert.’
Ik gaf een vette knipoog naar de koning toen ik zei:
‘Heer Vande Lanotte, dat is van vorige zomer geleden dat ik zijne majesteit nog gezien of gesproken heb. A propos, weet Caroline Gennez dat ge met mij belt?’
De onderkoning van West-Vlaanderen grommelde iets en maakte onbeleefd als altijd een eind aan het gesprek.
Het staatshoofd had in de loop van de dag de voorzitters van CD&V en van Open VLD ontvangen, de grote verliezers van de kiesstrijd. Zowel Marianne Thyssen als Alexander De Croo hadden grote ogen getrokken toen ze mij naast de troon zagen staan, maar ze hadden niet durven protesteren. Er zal morgen wel een venijnig stukje in De Standaard staan.
Enfin, Thyssen had haar lesje van bescheidenheid en bereidheid en ervaring afgedreund en Alexander De Croo had heel de tijd over zijn vader moeten vertellen. In de standpunten van de ruziemakende liberalen was de koning niet geïnteresseerd geweest.
En daarna hadden wij dus zitten bikkelen. Met loden bikkels, die nog van prins Karel waren geweest. En hoewel de hand van de koning niet echt vast kan worden genoemd, bleek hij zeer bedreven in dit haast vergeten jongensspel. Ik had hem niet laten winnen, hij was gewoon beter. ‘Ik heb een ongelukkige jeugd gehad,’ vertrouwde het staatshoofd mij toe, ‘ik probeer mijn achterstand alsnog in te halen.’
Na het bikkelen en de oproep van de SP-senator hadden wij de koele kelderkeuken van het paleis opgezocht, waar een lakei ons een glas ijskoude prik had ingeschonken.
‘Lekker hé,’ sprak de koning terwijl hij het bewasemde glas tegen zijn verhitte koninklijke wang hield. Ik kon dat alleen maar beamen.
‘Wie gaan we nu informateur maken? Hebt u een idee, mijnheer Van Dievel?’ vroeg de vorst, ‘Ik peins dat de Wetstraat deze avond een naam verwacht. Best een N-VA’er zeker, vermits die sympathieke mijnheer De Wever geen eerste minister wil worden.’
‘Maar wie?,’ zuchtte ik, ‘het politiek ervaren talent loopt niet dik gezaaid bij de N-VA.’
‘Zoudt u mij mijnheer Bracke durven aanraden, mijnheer Van Dievel?’
‘Absoluut niet, majesteit!’ antwoordde ik ferm, ‘Mijnheer Bracke heeft vele talenten, op velerlei vlakken, maar voor informateur deugt hij niet. Vergeet niet dat mijnheer Bracke een kleine twee maanden geleden de mensen met wie hij discreet zou moeten onderhandelen, nog op de rooster heeft gelegd in zijn veelbekeken show ‘Bracke op Vrijdag’.’
Aan de hand van de krant overliepen wij de verkozenen van N-VA, maar die zoektocht bracht geen soelaas.
‘Spijtig dat mijnheer Schiltz niet meer leeft,’ zuchtte de koning.
‘ ‘t Is een jonge partij hé majesteit,’ zei ik vergoelijkend.
‘Zou ik mijnheer Peumans een loer durven draaien en hém met de informatieopdracht belasten?’ vroeg de koning met pretoogjes.
‘Ja!’ riep ik enthousiast, ‘laten we dat doen!’
Helaas was Van Ypersele de Spirou toen net binnengekomen en was des konings kabinetschef bij het horen van de naam Peumans in onmacht gevallen.
‘Willen we dan toch maar Vande Lanotte nemen?’ vroeg de vorst terwijl hij zijn kabinetschef met flinke petsen op zijn bleke wangen bij bewustzijn probeerde te brengen.
‘Majesteit, het is uw prerogatief,’ zei ik nederig,’ fiat voluntas tua. Zolang u Wilfried Martens en Miet maar niet naar het paleis sommeert.’






Ach, het was alleen maar een poging van Willy Claes om nog eens in de aandacht te komen. Misschien hoopte hij zo nog voor die job in aanmerking te komen.
Aan wie nog mocht twijfelen : Peumans’ bierbak ( Patent Pending ) Knack pagina 30.
Geef toe, ‘dat’ ziet er toch veel assertiever uit dan in ‘Oog in oog’.
Ook verkrijgbaar couleur assortie van de partij ( tegen meerprijs ).
Voor mij is het duidelijk, Elio’s moedertaal is Japans.
In ieder geval spreekt hij de Engelse taal met een duidelijk Japanse tongval, en ik kan het weten; ik heb namelijk jarenlang voor Sony gewerkt.
En de gretigheid waarmee hij zich op zijn toekomstige taak voorbereidt is alarmerend.
Waarmee is die De Wever eigenlijk bezig?
Ons dierbaar vaderland belachelijk laten maken door een belegen nicht die de lingua franca niet spreekt?
Of behoort dat ook tot de verrottingsstrategie?
Ware ik de koning, ik riep de kroonraad bij elkaar om Mark Eyskens als premier te installeren.
Opdat hij eindelijk de rustige CD&V vastheid in dit apenland kan herstellen.
Only fools laugh at the latin language.

Mitto vobis navem prora puppique carentem
Joke V
Joke heeft gelijk.
Waarover men niet kan spreken daarover zou men beter zwijgen …
Wat Elio dringend nodig heeft is een taaladviseur ipv een visagiste.
“Frieda Brepoels ontmijnt de Belgische politiek (omdat een eerste vrouwelijke premier er weer niet in zit)”, net geplukt op internet, auteur is Data Driven (*)
Andere berichten van diezelfde instantie :
1. De Wever signaleert : Elio is een beminnelijk man
2. Leterme signaleert : Bart is een beminnelijk man
3. Barak signaleert : wij leggen de banken aan banden
4. Herman signaleert : ik vraag het mij af – zijn mijn getelde dagen – als groene dromen
5. Kim signaleert : ik doe NIET terug aan sport omwille van de bankcrisis (naam te vervangen door Justine, Michaël …)
(*) Ik maak me toch wat zorgen Louis. Al die berichten van Data Driven zijn het gevolg van brieven van een onbekende informant. Zonder uitzondering zijn deze brieven gepost in de bus aan het Kerkplein van Kalmthout.
Naschrift : eigenlijk was het oorspronkelijk bericht ‘New York Times signaleert : Frieda Brepoels ondermijnt ($) de Belgische politiek”. M. Van de Looverbosch heeft echter een en ander lichtelijk aangepast.
($) deze kleine verschrijving is te wijten aan de gebrekkige kennis van het Nederlands bij de NYT
Zou het niet heerlijk zijn, zou het zo zijn zoals beschreven? In zo’n land wil ik best leven.
In de passage van Marianne en Alexander zie ik niet echt veel fictie schuilen
Waarover men niet kan zwijgen, daar spreekt men over.